”We zijn terug bij de kern van ons vak”

Steeds meer scholen gaan aan de slag met hun onderwijsprogramma. Een ‘schooleigen curriculum’, zoals het ook wel heet, zorgt voor bewustwording bij leerkrachten én leerlingen. “Vroeger was het: sla je boek open en maak de opdrachten. Nu willen leerlingen zelf dingen weten.”

Een zomerse donderdagmiddag bij OBS De Huet (bijna 200 leerlingen, 18 medewerkers) in Doetinchem. Het is druk, want veel ouders zijn vanmiddag naar school gekomen om de expositie over sterren en planeten te bekijken waar hun kinderen de afgelopen acht weken aan hebben gewerkt. Her en der staan leerlingen enthousiast te vertellen; anderen begeleiden een groepje ouders bij een werkvorm.

Een zomerse donderdagmiddag bij OBS De Huet (bijna 200 leerlingen, 18 medewerkers) in Doetinchem. Het is druk, want veel ouders zijn vanmiddag naar school gekomen om de expositie over sterren en planeten te bekijken waar hun kinderen de afgelopen acht weken aan hebben gewerkt. Her en der staan leerlingen enthousiast te vertellen; anderen begeleiden een groepje ouders bij een werkvorm.

Dit project is een van de vele uitvloeisels van het concept Thinking for Learning, waar de school twee jaar geleden mee begon. Aanleiding was de overtuiging dat reproductie van kennis in de toekomst minder relevant wordt. “Het belang van vaardigheden wordt steeds groter. Daarom willen wij kinderen al op de basisschool denkvaardigheden bijbrengen en ze bewust maken van hun eigen leerproces”, zegt directeur Martine Merkx-Willemsen.

Kinderen groeien daarvan, is de ervaring van Nicole van Gerven, leerkracht van groep 5/6. “Kijk maar om je heen vanmiddag: dit is echt het project van de léérlingen. Ze krijgen steeds meer zicht en grip op hun leerproces. Ze stellen vragen, ontdekken dat fouten leermomenten zijn en worden steeds vaardiger in het stellen van eigen leerdoelen. De kennis die ze bij een thema opdoen, beklijft ook nog eens beter omdat ze anderen erover vertellen.”

“Het grootste verschil is dat we bewuster onderwijs zijn gaan geven.”

Bewustwording

Thinking for Learning is een leerconcept dat in het Verenigd Koninkrijk zijn sporen heeft verdiend. Het doel is dat kinderen helder leren denken, dat ze leren leren en dat ze leren denken óver hun leren. Onderzoek heeft uitgewezen dat kinderen hier beter en sneller door leren, meer betrokken zijn en zich ook sociaal beter ontwikkelen.

“Je moet het zien als een attitude die het hele onderwijs doortrekt”, zegt Merkx. Op De Huet is dit het meest zichtbaar in het middagprogramma, waarvoor de leerkrachten op basis van het bijbehorende Projects for Learning multidisciplinaire thema’s ontwikkelen waarin zaakvakken en 21e eeuwse vaardigheden zijn geïntegreerd. Het thema sterren en planeten is daar een voorbeeld van. Maar het concept speelt evengoed een rol bij het onderwijs in taal en rekenen en bij de persoonlijke doelen die leerlingen zichzelf stellen. Alles draagt bij aan bewustwording, ziet Merkx: “Wat wil ik leren? Wat zijn mijn sterke en zwakke kanten? Hoe kan ik sterker worden?”

Professionele dialoog

OBS De Huet is bij de keuze voor Thinking for Learning niet over één nacht ijs gegaan. De school werkt al vier jaar aan onderwijs dat leerlingen beter voorbereidt op de toekomst. Dat begon met meer aandacht voor klassenmanagement en vormen van coöperatief leren. Hieruit ontstond de wens om kinderen meer regisseur te laten worden van hun eigen leren, wat uitmondde in de keuze voor Thinking for Learning. “De leerlingen zijn veel gemotiveerder”, merkt Van Gerven. “Vroeger was het: sla je boek open op die bladzijde en maak de opdrachten. Nu willen ze zelf dingen weten.”

Voor de leerkrachten is het wel een hele ommezwaai geweest. Hun rol is veranderd: van degenen die de antwoorden geven, zijn zij veranderd in degenen die leerlingen aanmoedigen tot vragen stellen. Merkx: “Er is een periode geweest waarin op veel scholen slaafs de methode werd gevolgd en de eigen creativiteit van de leerkracht niet meer werd aangeboord. Dat is bij ons nu echt anders. Het grootste verschil is dat we bewuster onderwijs zijn gaan geven. Thinking for Learning vraagt dat je goed kijkt naar de kinderen in de groep. Waar zitten hun interesses, waar is groei mogelijk? Daar sluit je in je lessen op aan. Eigenlijk brengt dit je terug bij de kern van je vak als leerkracht.”

Waar iedere collega vroeger zijn eigen groep draaiende hield, werkt het team nu veel meer samen. “Door het voorbereiden van de thema’s zijn we veel in gesprek over de lesinhoud, we voeren een professionele dialoog. We voelen ons gezamenlijk verantwoordelijk voor het onderwijs aan groep 1 tot en met 8”, zegt Merkx.

Abstract

Wat de leerkrachten van OBS De Huet doen, is een vorm van schooleigen curriculumontwikkeling. Alleen wordt dat verband op scholen zelden gelegd omdat het woord curriculum (in feite ‘een plan voor het leren van leerlingen’) niet echt tot het dagelijkse taalgebruik hoort. Leraren zeggen eerder dat ze lessenseries of

lesprogramma’s maken; ze werken aan het onderwijsaanbod bij de zaakvakken, of ze maken een thematisch project over stadsontwikkeling. Maar curriculum? Dat klinkt nogal abstract.

Nu is een curriculum op schoolniveau ook wel iets anders dan het landelijke curriculum. Dat wordt op hoofdlijnen vastgesteld via onder andere de kerndoelen, referentieniveaus en eindtermen. Deze vormen geen compleet plan voor het leren van leerlingen, maar kaderen wel de ruimte in waarbinnen scholen aan het curriculum hun eigen invulling kunnen geven.

Nationaal, school- en lesniveau

Het curriculum op schoolniveau omvat alle plannen en afspraken die binnen een school gemaakt worden over het leren van de leerlingen. Wat is ons profiel, hoe wordt hier geleerd, hoe geven we het onderwijsleerproces vorm, hoe gaan we om met leermiddelen- en toetsbeleid? Leraren geven dit curriculum op hun beurt verder vorm in de klas.

Om een voorbeeld te geven: kerndoel 49 voor het primair onderwijs luidt: ‘De leerlingen leren over de mondiale ruimtelijke spreiding van bevolkingsconcentraties en godsdiensten, van klimaten, energiebronnen en van natuurlandschappen zoals vulkanen, woestijnen, tropische regenwouden, hooggebergten en rivieren’ (nationaal niveau). Een school zou het eerste deel van dit kerndoel voor groep 7 en 8 kunnen vertalen als: ‘Ik leg met voorbeelden het begrip cultuur uit. Ik geef voorbeelden van culturen in Nederland’ (schoolniveau). En vervolgens zou de leerkracht van groep 7 kunnen besluiten hiervoor lesmateriaal van SamSam over verschillende godsdiensten in te zetten (lesniveau).

 

Rode draad

Iemand die met curriculumontwikkeling op alle niveaus ervaring heeft, is Stéfanie van Tuinen. Zij is nu leerplanontwikkelaar kunst & cultuur en 21e eeuwse vaardigheden bij SLO, maar was daarvoor leraar beeldende vakken op het AOC Oost in Almelo. Van Tuinen ziet dat zich op scholen een grote verandering aan het voltrekken is. “Toen ik zelf nog voor de klas stond, was ik veel bezig met het curriculum van mijn vak, maar vooral om het voor mezelf en mijn leerlingen leuk te houden. Als leraar opereerde je toen vrij individualistisch. Voor gedragsproblemen bij leerlingen zocht je samen naar oplossingen, maar het onderwijs zelf kwam niet vaak ter sprake en er werd niet veel kennis gedeeld. Terwijl nu op steeds meer scholen wordt gesproken over: wat is de rode draad binnen ons onderwijs? Hoe brengen we samenhang aan?”

Met die laatste vraag heeft Van Tuinen in haar huidige functie als leerplanontwikkelaar veel te maken. Het stimuleren van leerplankundige samenhang is een belangrijke opdracht van SLO. Dat doen Van Tuinen en haar collega’s niet in de eerste lijn (ze zijn dus niet door scholen ‘in te huren’), maar wel door clusters van scholen en bestaande netwerken te ondersteunen.

Die scholen maken zelf hun onderwijskundige keuzes, bijvoorbeeld of zij de leerstof in vakken of vakoverstijgend aanbieden. SLO levert daarbij de leerplankundige expertise en praktische handvatten aan die nodig zijn om in de gekozen opzet meer samenhang aan te brengen. Dit kunnen bijvoorbeeld instrumenten zijn die het schoolteam helpen over het curriculum in gesprek te gaan.

Van ‘leerdoeldenken in de praktijk’ wordt niet alleen de school wijzer, maar ook SLO. Een voorbeeld is de doorlopende leerlijn digitale geletterdheid (po/vo) die SLO met scholen heeft ontwikkeld. Per leerjaar is een soort kapstok gemaakt waaraan leraren hun eigen leeractiviteiten kunnen ophangen. Daar geven zowel collega’s als experts van SLO hun reactie op. Het eindresultaat is voor scholen een leerlijn die zijn waarde heeft bewezen en voor SLO een praktijkervaring die goed van pas komt bij de ontwikkeling van een volgende leerlijn. “De ideale pendel tussen de onderwijspraktijk en de tekentafel”, aldus Sanne Tromp, directeur innovatie SLO.

“Niet iedere leerkracht hoeft een curriculumexpert te worden.”

Stap vooruit

Het ondersteunen van scholennetwerken geeft SLO ook inzicht in de stand van zaken op het gebied van schooleigen curriculumontwikkeling in Nederland. Er worden grote stappen vooruit gezet, zegt Jindra Divis, die als algemeen directeur samen met Tromp de directie vormt. “We zien een grote verbetering van kwaliteit en deskundigheid. Enkele jaren geleden zag je nog wel eens dat scholen die zelf hun curriculum vormgaven, vanwege slechte examenresultaten terugkeerden naar meer traditionele onderwijsvormen. Op die scholen werkten dan veel jonge, weinig ervaren leraren waardoor er een gebrek was aan expertise en overzicht. Dat komt nu eigenlijk niet meer voor. Ook het door scholen ontwikkelde materiaal heeft vergeleken met vijf of zes jaar geleden een enorme kwaliteitsslag ondergaan; denk maar aan het materiaal in VO-content.”

Een feit is wel dat curriculumontwikkeling in het primair onderwijs wat lastiger is dan in het voortgezet onderwijs. “Binnen het vo werken veel vakdocenten met diepgaande kennis van één vak, leerkrachten in het po hebben veelal generieke kennis over heel veel ontwikkelgebieden. Van hen mag je niet verwachten dat zij op alle inhouden diepgaande expertise bezitten”, zegt Divis. “Daarnaast hebben po-scholen gemiddeld genomen wat minder omvang, capaciteit en financiële ruimte waardoor de verandercapaciteit geringer is. In het vo is de ruimte wat groter. Daar gebeurt het steeds vaker dat voorhoedescholen een heel schooleigen curriculum ontwerpen. Maar let wel: dan zijn vaak ook de randvoorwaarden in orde of is er een andere functiemix (een team bestaande uit vakleraren, coaches en onderwijsontwerpers bijvoorbeeld) waardoor dit mogelijk wordt.”

 

Lef, scholing, tijd

Want één ding is zeker: curriculumwerk vraagt veel van een leraar. Je moet overzicht hebben – over je vak, over verwante vakken, over de jaren heen – en leerdoelgericht kunnen werken. Je hebt analytisch vermogen nodig, creativiteit, en bovenal lef om je methode los te laten, te durven kiezen wat je weglaat en wat je anders invult. Dat is nogal wat. Het is dan ook niet nodig dat elke leraar een curriculumexpert wordt, vinden Divis en Tromp. Wel zou het goed zijn als er in elke school een aantal leraren met deze expertise rondlopen. Denk aan speciale curriculumcoördinatoren die de schoolleiding en hun collega’s kunnen ondersteunen.

 

Voor deze leraren zou goede deskundigheidsbevordering beschikbaar moeten zijn, vult leerplanontwikkelaar Stéfanie van Tuinen aan. “Leraren kunnen echt wel een goede les ontwerpen, maar hoe je dat doet in samenhang met bijvoorbeeld een overkoepelende visie van de school, is een andere vraag. Je wilt niet dat iedereen zelf maar het wiel moet uitvinden. Op dit moment is die scholing echter nog maar mondjesmaat voorhanden.”

Daarnaast is tijd een belangrijke factor. “Als je parttime werkt, gaat je weektaak al snel op aan lesgeven en aanvullende taken. Zie dan maar eens de tijd te vinden om met collega’s aan curriculumontwikkeling te werken! Er zijn veel leerkrachten die hun onderwijs interessanter en actueler willen maken en dan is het toch jammer als tijd de bottleneck is? Sommige directies lukt het om iets te regelen, in andere gevallen vraagt het eigen tijd, en daar zit een grens aan. Dan is het de kunst om één onderwerp en niet tien onderwerpen tegelijk aan te vliegen.”

Sleutelfactoren

Nog even terug naar OBS De Huet. Wat zijn volgens het schoolteam daar de sleutelfactoren om het werken aan een schooleigen curriculum tot een succes te maken? Directeur Martine Merkx: “Wij hebben vanaf het begin een externe partner, de IJsselgroep, gevraagd om met ons mee te kijken. Dat maakt een groot verschil. Daarnaast is het fijn als er bij een onderwijskundig concept ook materiaal beschikbaar is dat je als basis kunt gebruiken, in ons geval voor het ontwerpen van de thema’s in de middag. Natuurlijk moet je het altijd vertalen naar je eigen situatie, maar het geeft toch houvast. Maar de allerbelangrijkste factor is toch wel dat je genoeg tijd neemt om met alle collega’s samen een ontwikkeling door te maken.”

OBS De Huet gaat komend jaar op de ingeslagen weg door. “Eerst maar eens consolideren”, zegt Merkx. “We willen nog meer grip krijgen op de vraag hoe we met Thinking for Learning als didactische onderlegger goede vakoverstijgende thema’s kunnen ontwerpen. Dat blijven we doen onder begeleiding van onze educatieve partner, die ons tools en handvatten kan geven. Curriculumontwikkeling moet je niet overhaasten, doe het stap voor stap.”

Meer informatie op: http://.curriculumvandetoekomst.slo.nl
www.leraar24.nl/thinking-for-learning